OVER
ENKELE MISVERSTANDEN...
De evolutietheorie draait enkel maar om het recht van
de sterkste.
Charles Darwin sprak niet over het recht van de sterkste. Hij beschreef
enkel hoe de meest ‘fitte’ organismen de meeste kans maakten op het doorgeven
van hun genen. Hij sprak dus niet over ‘rechten’, en ook niet alleen maar
over ‘de sterkste’. Onder de ‘meest fitte’ organismen kun je immers allerlei
eigenschappen verstaan, zoals kracht, maar ook intelligentie, camouflage,
snelheid, sluwheid, mooiheid of vriendelijkheid, waarbij dit laatste vermogen van groot belang is voor
dieren die in groepen leven, zoals de mens.
De evolutietheorie draait enkel maar rond het overleven
van het individu, seks, agressie, wreedheid en een eeuwigdurende concurrentiestrijd.
Evolutie heeft er inderdaad voor gezorgd dat organismen agressief kunnen
zijn (ziet u maar naar de enorme imponerende slagtanden van een walrus
die hij gebruikt om te vechten voor een walrusvrouwtjesharem). Maar evolutie
heeft ook gezorgd voor enorm veel mooie eigenschappen bij organismen.
Zoals het prachtige kleurenpatroon op de rug van een lieveheersbeestje,
intelligentie, creativiteit en zelfs een moraal bij dieren die in groepen
leven, en dus best hersenen ontwikkelen die hen in staat stellen om zowel
‘te geven als te nemen’.
Hitler en andere ongure figuren hingen Darwins evolutietheorie
aan.
Hitlers perverse ideeën interpreteerden de evolutietheorie op een totaal
verkeerde manier. Daarbij komt het ‘recht van de sterkste’ niet van Darwin,
maar van een tijdgenoot, namelijk Herbert Spencer. Het spencerisme is
dan ook een verwerpelijke theorie die geen enkele wetenschappelijke onderbouwing
heeft (en mocht hij dat zelfs hebben, het zou nog steeds even verwerpelijk
blijven).
Hitler en Stalin waren atheïsten en zie wat voor een potje
ze ervan hebben gemaakt.
Stalin was inderdaad een atheïst, maar Hitler was gelovig. Hitler kon
wel het katholicisme niet uitstaan, maar hij geloofde in god en beschouwde
zijn taak hier op aarde ook als een soort van goddelijke opdracht waarvoor
hij uitverkoren was.
Daarbij is de bovenstaande redenering fout. Stel dat Stalin en Hitler
nu beiden atheïsten waren. Hieruit kunnen we dan niet zomaar meteen de
conclusie trekken dat atheïsten ‘kwaadaardiger’ zijn omdat Stalin en Hitler
alles behalve fijne mensen waren. Stalin en Hitler hadden ook beiden een
snor, maar niemand zou daaruit zomaar meteen besluiten dat alle mensen
met een snor massamoordenaars zijn.
Wetenschap is enkel maar iets voor intelligente mensen.
Aan wetenschap doen én dan nog eens nieuwe dingen ontdekken is inderdaad
vaak iets voor intelligente mensen. Maar iedereen kan over wetenschap
lezen en kennis vergaren. Zich verdiepen in wetenschappelijke kennis is
in dit tijdperk niet moeilijk, zeker gezien er zoveel goed geschreven
populair wetenschappelijke boeken in omloop zijn. Op deze site kan u hier
een overzicht vinden.
Wetenschap gaat vooral over het hoe, terwijl religie gaat
over het waarom. Wetenschap kan geen antwoorden geven op de grote vragen.
Enkele tientallen jaren geleden kon dit misschien nog waar zijn, alhoewel...
Neem bijvoorbeeld Darwins evolutietheorie van reeds een anderhalve eeuw
geleden die heel wat stof deed opwaaien. Deze theorie ging immers niet
meer louter en alleen over biologische kennis omtrent het ontstaan van
soorten (het 'hoe'). Hij ging nog veel verder, gezien toen voor het eerst
duidelijk werd dat de mens niet plotsklaps door een schepper werd geschapen,
maar net zoals miljoenen andere diersoorten onderworpen was aan een ‘stuurloos’
proces dat evolutie heet. Uit de enorme tegenstand ten opzichte van Darwins
evolutietheorie blijkt des te meer dat wetenschap véél verder kon en kan
gaan dan loutere kennis over het ‘hoe’ en niet het ‘waarom’...
Maar nu dringt de wetenschap pas echt door tot de meest fundamentele kenmerken
van het mens zijn. We beginnen te achterhalen waarom dingen mooi zijn,
waarom we aan kunst doen, wat creativiteit is, hoe moraal ontstond en
waar in de hersenen het ontstaat, hoe het bewustzijn werkt, enzovoort.
Wetenschap is filosofie geworden.
De menselijke moraal kan niet bestaan zonder een god.
Eeuwenlang dachten geleerden dat de moraal iets was wat mens en dier scheidde,
en dat deze verheven eigenschap afkomstig was van iets hogers. Nu blijkt
dat morele kenmerken als altruïsme, wederkerigheid en hulp vaak voorkomen
in de natuur, wat ook in overeenstemming is met de evolutietheorie die
niet enkel draait rond agressie en dominantie. Bijen en mieren offeren
zich op voor de kolonie, vogels wijzen dassen de weg naar bijenkorven
vol honing, kleine vissen reinigen de huid van grote vissen, een gorilla
verzorgt een kind dat in zijn kooi is gevallen en brengt het vervolgens
naar de bewaker, chimpansees helpen oudere chimpansees door voor hen in
de bomen te klimmen en vruchten te plukken, Arabische babbelaars (een
vogelsoort) delen voedsel met elkaar, zelfs als het niet nodig is, enzovoort.
Genen mogen dan wel puur zelfzuchtig zijn, maar de tactieken die ze hanteren
om zich te verspreiden kunnen heel altruïstisch zijn. Het kan immers lonen
om elkaar te helpen. Een besef van goed en kwaad is al vele miljoenen
jaren ouder dan de Tien Geboden.
Zonder goden of het geloof in iets meer is dit heelal
nogal vrij zinloos, en zelf stellen we helemaal al niets voor.
Natuurlijk niet. Dit is een wonderlijk heelal. Zie hier
voor een meer uitgebreide bespreking.
Wetenschap is reductionistisch. Het wil alle mooie dingen
kapot relativeren door ze te beschrijven als interacties tussen deeltjes
en krachten. Liefde is slechts een kwestie van neurotransmitters en de
zon is maar een flink uit de kluiten gewassen thermonucleaire reactor.
Ik heb hierover
wat geschreven.
|
|